Niemand wist het

Voorzichtig pakte ik de scooter uit het schuurtje. Ik wilde namelijk niemand wakker maken, zodat ze zich gingen afvragen waar ik naar toe zou gaan op die vroege ochtend. Op die vroege zondagochtend. Zodra de scooter in de steeg stond, zag ik vanuit de verte een hoofd uit het raam steken. Het hoofd van mijn moeder. Haar lippen zag ik bewegen. “Wat?”, riep ik. “Waar ga je naar toe, lieverd?”, vroeg ze. “Gewoon.” Ik startte mijn scooter, zette mijn helm op, sloot de poort en reed weg: op naar het station en op naar hem.

Niemand wist waar ik die bewuste zondag naar toe ging. Ik had namelijk niemand op de hoogte gesteld, omdat ik dan allemaal vragen naar mijn hoofd geslingerd zou krijgen. Vragen die ik op dat moment niet kon beantwoorden en vragen waarvan ik bang was dat zij mij zouden gaan belemmeren, dus ik vond het allemaal best. Ik stapte de trein voor tweeënhalfuur in, om hem vervolgens voor het eerst te zien.

De treinreis duurde niet zolang ik had verwacht, en gelukkig kon ik blijven zitten met maar twee overstappen, die perfect op elkaar aansloten. Af en toe probeerde ik een hoofdstuk af te lezen in mijn nieuwe boek, maar ik merkte dat ik het niet kon: ik was toch een klein beetje nerveus. De weg op het laatste station naar het laatste perron kon ik verbazingwekkend makkelijk vinden. De trein stond er al, ik checkte of het wel de juiste was en stuurde hem een berichtje dat ik er in zat. Hij zou iets later zijn, omdat hij die nacht ervoor uit was geweest en nog moest douchen. “Prima. Ik wacht wel.”, stuurde ik.

Ik wachtte op een donkergroene, ijzeren bankje naast het station met mijn telefoon in mijn rechterhand. Niet dat iemand mij een berichtje zou sturen, waarin hij of zij mij succes wenste. Niemand wist toch waar ik was. Dit deed ik, zodat het zou lijken dat ik niet lang op hem wachtte en niet nerveus was. Na enkele minuten wachten, stond er opeens een jongen met een bruine fiets voor mijn neus. “Hoi.” Ik stond op en gaf hem vluchtig een kus op zijn mond. Op dat moment kon ik mezelf wel voor mijn kop slaan: het ging namelijk veel te hard. “Hoi.”, zei ik terug. We begonnen wat te praten en vervolgens sprong ik op zijn bagagedrager, op weg naar zijn huis.

Vanaf dat moment dat ik zijn huis binnenstapte, wist niemand wat er zou gebeuren. Hij wist het niet, ik ook niet. Ik wist niet dat ik vanaf dag één zo comfortabel in zijn armen kon liggen, met alleen maar wat dekens over mij heen. Ik wist niet, wanneer hij mij weer afzette bij het station, dat hij zou vragen wanneer we elkaar weer zouden zien. Ik wist niet dat na het tweede afspraakje, we een relatie hieraan zouden overhouden. Ik wist niet dat ik tegen mezelf, op dit moment kan zeggen, dat ik alweer bijna acht maanden een relatie zou hebben.

Ik wist het niet. Niemand wist het.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s