Afgebroken muur

Heel voorzichtig, beetje bij beetje, breekt de muur af die ik jarenlang heb opgebouwd.
De muur waar ik mij jaren achter probeer te verstoppen, waar ik mezelf probeer te beschermen, want het is en voelt daar zo vertrouwd.
Maar door het kennismaken met jou, door de nachtelijke avonturen met jou, door elke aanraking van jou, valt er elke keer weer een laag van die muur af.
En dat jouw aanrakingen vertrouwder voelen dan mij te verstoppen achter die opgebouwde muur, had ik niet verwacht.
Je laat mij telkens snakken naar meer, want niet met jou zijn, geen aanrakingen van jou, voelt dan ook als een straf.
Ik raak met de tijd verslaafder aan jou, met de tijd verwacht ik meer van jou en apprecieer ik jou.

Maar met de tijd merk ik ook dat jij afstandelijker wordt, dat elke aanraking van jou steeds minder wordt en als ik toch door jou aangeraakt wordt, dat deze aanraking op mijn kwetsbare, blote huid kouder aanvoelt.
Ik vraag jou erom, schreeuw erom en huil erom.
Je hebt het niet zo bedoeld en hebt spijt dat het tussen ons tweeën zo is gegroeid.
Het was tenslotte ook niet mijn bedoeling om verslaafd aan jou te raken en vraag mij dan ook af of dat wel het juiste was, of ik mij niet had moeten blijven verstoppen, zodat ik mezelf kon blijven beschermen en hier niet in verzeild raakte.
We nemen afstand, tot er radiostilte tussen ons is en begin ik maar weer aan de muur te bouwen waar ik toentertijd gebleven was.

Advertenties

Was het maar andersom

‘Doei moemoe! Tot straks’, roepen we. Wanneer we na een fietstocht van vijftien minuten weer thuis zijn van de wekelijkse zwemles op de woensdagmiddag, duiken we direct de badkamer in om het chloor van ons af te kunnen spoelen. Als oudere zus laat ik het ronde, kleine bad vollopen met warm water en hij, als jongere en kleinere broertje, stapt erin. We wassen onze haren met shampoo, kliederen wat met het water en schuim en gaan om de beurt het warme badje in. Plotseling horen we glas vallen. ‘Wat is dat? Is mama alweer thuis van de supermarkt?’, vraagt hij. Ik heb geen idee wat er aan de hand zou kunnen zijn en stel voor dat we gaan kijken. Eigenlijk vraag ik aan hem of hij wil kijken, maar hij durft niet. Ik durf ook niet. ‘Het is niks ergs. Volgens mij heeft mama een bord laten vallen’, zeg ik dan om onszelf gerust te stellen.

“Dan was alles, wat hierna zou gebeuren ons bespaard gebleven.”

We blijven nog even luisteren, maar lijken niks meer te horen. ‘Zie je wel, er is niks aan de hand’, zeg ik dan en we gaan verder waar we gebleven waren. We gooien water naar elkaar, laten opnieuw een straal met warm water het bad inlopen en blazen het schuim van onze handen. Wanneer we voetstappen op de trap horen, nemen we aan dat het onze moeder is. Maar niets lijkt minder waar. Het zijn onze buurvrouwen die met alle haast de badkamerdeur openen. Beiden worden we afgedroogd, in een handdoek gewikkeld en opgetild. Ieder door een buurvrouw, niet wetende wat er aan de hand is.

Wanneer we beneden aankomen, zie ik dat ik ongelijk had. Doorgaan met het lezen van “Was het maar andersom”

Tot nooit meer ziens

Nadat we de auto hebben gelost op de grote parkeerplaats bij de Albert Heijn XL, stap ik samen met mijn broertje en een vriendin uit de auto. Terwijl we richting de ingang van de supermarkt lopen, zie ik voor mij een kleine man met een gekleurde rugtas lopen. Ik krijg direct het gevoel dat er iets niet klopt en dat hij het wellicht is, maar hoe groot is die kans nou? Dus besluit ik mijn onderbuikgevoel te negeren en loop ik langzaam achter hem verder.

Voordat we daadwerkelijk de supermarkt betreden, vraagt mijn broertje of hij niet eerst een bakje kibbeling kan halen. ‘Laten we eerst boodschappen doen en dan pas kibbeling halen’, geef ik als antwoord. Want dat onderbuikgevoel dat ik eerder negeerde, komt weer opspelen. Iets in mij zegt dat we direct de supermarkt in moeten duiken en hier zo snel mogelijk weg moeten, maar ik zie de teleurstelling in zijn gezicht. ‘Haal maar. Je moet niet met een lege maag de supermarkt in.’

“Maar waarom zou ik nog naar hem omkijken?”

Ik zie een glimlach op zijn gezicht verschijnen en vervolgens trekt hij een sprintje naar de visboer. Terwijl hij zijn bakje kibbeling bestelt, neem ik kletsend plaats aan de grote, houten tafel en kijk ik naar rechts. Ik schrik, want ik zie die kleine man met de gekleurde rugtas daar staan. Hij is het toch wel. Gauw kijk ik weer de andere kant op. ‘Kijk eens langzaam naar rechts. Zie je die man daar staan?’, fluister ik tegen mijn vriendin. Ze draait langzaam haar hoofd naar rechts en bevestigt dat zij hem heeft gezien. ‘Dat is mijn vader.’ Doorgaan met het lezen van “Tot nooit meer ziens”

Ik wil niet

Ik wil mijn gevoelens tegenover jou niet uiten,
want ik weet dondersgoed dat je er niets mee doet.
En als ik besluit dat wel te doen, geeft dat alleen maar meer gedoe.

Ik wil namelijk niet tegen jou zeggen dat je mij kwaad maakt,
want het weten van mijn diepste gevoelens én vermoedens,
dat ben je niet waard.

Ik wil niet dat je weet dat ik soms avonden om jou lig te huilen
en dat ik de volgende dag mijn verschrikkelijke best doe
om dat te verschuilen.

Ik wil niet dat je hoort dat je beetje bij beetje, elke dag weer,
mijn hart breekt. En dat je weet dat ik elke avond smeek
om dit niet te hoeven voelen.

Ik wil niet dat je weet dat je mij soms onzeker maakt
en dat ik dat vooral ben, wanneer ik zie dat jij je met anderen vermaakt.
Want die onzekerheid die ik voel, is volgens jou dan niet zo bedoelt.

Ik wil niet dat je weet dat je mij soms tot wanhoop drijft.
Tot zo’n wanhoop dat ik weer naast jou lig
en dan opnieuw de liefde, zoals jij het noemt, met jou bedrijf.