Was het maar andersom

‘Doei moemoe! Tot straks’, roepen we. Wanneer we na een fietstocht van vijftien minuten weer thuis zijn van de wekelijkse zwemles op de woensdagmiddag, duiken we direct de badkamer in om het chloor van ons af te kunnen spoelen. Als oudere zus laat ik het ronde, kleine bad vollopen met warm water en hij, als jongere en kleinere broertje, stapt erin. We wassen onze haren met shampoo, kliederen wat met het water en schuim en gaan om de beurt het warme badje in. Plotseling horen we glas vallen. ‘Wat is dat? Is mama alweer thuis van de supermarkt?’, vraagt hij. Ik heb geen idee wat er aan de hand zou kunnen zijn en stel voor dat we gaan kijken. Eigenlijk vraag ik aan hem of hij wil kijken, maar hij durft niet. Ik durf ook niet. ‘Het is niks ergs. Volgens mij heeft mama een bord laten vallen’, zeg ik dan om onszelf gerust te stellen.

“Dan was alles, wat hierna zou gebeuren ons bespaard gebleven.”

We blijven nog even luisteren, maar lijken niks meer te horen. ‘Zie je wel, er is niks aan de hand’, zeg ik dan en we gaan verder waar we gebleven waren. We gooien water naar elkaar, laten opnieuw een straal met warm water het bad inlopen en blazen het schuim van onze handen. Wanneer we voetstappen op de trap horen, nemen we aan dat het onze moeder is. Maar niets lijkt minder waar. Het zijn onze buurvrouwen die met alle haast de badkamerdeur openen. Beiden worden we afgedroogd, in een handdoek gewikkeld en opgetild. Ieder door een buurvrouw, niet wetende wat er aan de hand is.

Wanneer we beneden aankomen, zie ik dat ik ongelijk had. Doorgaan met het lezen van “Was het maar andersom”

Advertenties

Tot nooit meer ziens

Nadat we de auto hebben gelost op de grote parkeerplaats bij de Albert Heijn XL, stap ik samen met mijn broertje en een vriendin uit de auto. Terwijl we richting de ingang van de supermarkt lopen, zie ik voor mij een kleine man met een gekleurde rugtas lopen. Ik krijg direct het gevoel dat er iets niet klopt en dat hij het wellicht is, maar hoe groot is die kans nou? Dus besluit ik mijn onderbuikgevoel te negeren en loop ik langzaam achter hem verder.

Voordat we daadwerkelijk de supermarkt betreden, vraagt mijn broertje of hij niet eerst een bakje kibbeling kan halen. ‘Laten we eerst boodschappen doen en dan pas kibbeling halen’, geef ik als antwoord. Want dat onderbuikgevoel dat ik eerder negeerde, komt weer opspelen. Iets in mij zegt dat we direct de supermarkt in moeten duiken en hier zo snel mogelijk weg moeten, maar ik zie de teleurstelling in zijn gezicht. ‘Haal maar. Je moet niet met een lege maag de supermarkt in.’

“Maar waarom zou ik nog naar hem omkijken?”

Ik zie een glimlach op zijn gezicht verschijnen en vervolgens trekt hij een sprintje naar de visboer. Terwijl hij zijn bakje kibbeling bestelt, neem ik kletsend plaats aan de grote, houten tafel en kijk ik naar rechts. Ik schrik, want ik zie die kleine man met de gekleurde rugtas daar staan. Hij is het toch wel. Gauw kijk ik weer de andere kant op. ‘Kijk eens langzaam naar rechts. Zie je die man daar staan?’, fluister ik tegen mijn vriendin. Ze draait langzaam haar hoofd naar rechts en bevestigt dat zij hem heeft gezien. ‘Dat is mijn vader.’ Doorgaan met het lezen van “Tot nooit meer ziens”

Straks wordt er een aanslag gepleegd

Na een treinreis van anderhalf uur stappen we uit op Amsterdam Centraal voor onze overstap. Vanuit de verte zien we dat er een lange rij bij de roltrap staat om naar beneden te kunnen. Ik stel voor om een stuk verder te lopen en daar de trap te nemen, maar hij is het niet met mij eens. ‘We nemen gewoon deze, dat zal wel even snel zijn.’ Na wat tegenstribbelen leg ik mezelf er maar bij neer. Dan maar samen met deze menigte de roltrap af.

Natuurlijk vind je dat. Je gaat alleen met haar omdat ze een kut heeft.

Het moment dat we eindelijk aan de beurt zijn en ik mijn voet op de tree zet, bedenk ik dat we ons bevinden in een menigte: een groot aantal mensen bij elkaar. Dit beangstigt mij, aangezien niet heel lang geleden de aanslagen in Brussel plaatsvonden en het nu wel erg dichtbij komt. ‘Straks wordt er een aanslag gepleegd…’, zeg ik zachtjes tegen hem. Doorgaan met het lezen van “Straks wordt er een aanslag gepleegd”

Toch nog medelijden

Iets in mij zei dat ik waakzaam moest zijn. De pijn in mijn buik zei mij dat ik niet langs de bibliotheek moest lopen, dat ik hier gewoon het straatje in moest. De signalen die mijn lichaam mij gaf, negeerde ik. Ik liep toch richting de bibliotheek met mijn oordopjes in, zodat ik ‘in mijn eigen wereld’ verder kon lopen. Naarmate ik verder liep en dichterbij de plek kwam, wat ik eigenlijk ontwijken moest, was het al te laat om om te keren zonder dat het zou opvallen. Diegene die ik al heel mijn leven probeer te ontwijken, zat daar op het bankje voor de bibliotheek met een knalgeel jasje aan, zwarte muts op en een paar volle plastic tassen bij zijn voeten.

Een man die mij verwekt heeft, die ik al meer dan twaalf jaar niet gesproken heb, niet meer van zo dichtbij gezien heb en die verschrikkelijke dingen gedaan heeft. Dingen die niet te vergeten en te vergeven zijn.

Op dat moment werd ik wakker geschud uit ‘mijn eigen wereld’ en stond ik even stil, om te kunnen nadenken wat ik moest doen, wat het verstandigst was. Het enige wat ik kon bedenken, was om langs hem te lopen en de moed bij elkaar op te rapen die ik al jarenlang aan het vermijden ben. Geconfronteerd worden met hem wilde ik niet en daarom besloot ik, in die paar seconden dat ik had, om achter hem langs te lopen. Doorgaan met het lezen van “Toch nog medelijden”

Ronald de Vreemde

Misselijk van de alcohol loop ik, in mijn eentje, over The Strip van het prachtige, drukke en sfeervolle Lloret de Mar; op weg naar het hotel. Snel wurm ik mij door een aantal mensen heen en vermijd ik de irritante mannen met een bos rozen in hun hand. Het verbaast mij dat ik de weg naar het hotel nog weet met de alcohol in mijn lichaam, wat onwijs bonst in mijn hoofd. Blij ben ik dan ook als ik bijna bij het hotel ben, maar dan zie ik een jongen. Een jongen die een kop groter is dan ik, die staat te wankelen op zijn benen en de ingang niet meer kan vinden. ‘Hey, jij daar! Gaat het wel?’, roep ik.

Met langzame passen loop ik naar de jongen toe. ‘Gaat het wel?’, vraag ik nog een keer. Deze keer alleen iets dichterbij. Gemompel. ‘Nee. Mijn vrienden waarmee ik al zes jaar omga, hebben mij in de steek gelaten. In de steek gelaten!’ Ik begin te lachen, vraag hem naar zijn naam en of hij ook in dit hotel overnacht. Voor dat laatste sla ik mij nu voor mijn kop, want waarom zou hij hier anders voor het hotel staan? Doorgaan met het lezen van “Ronald de Vreemde”