Was het maar andersom

‘Doei moemoe! Tot straks’, roepen we. Wanneer we na een fietstocht van vijftien minuten weer thuis zijn van de wekelijkse zwemles op de woensdagmiddag, duiken we direct de badkamer in om het chloor van ons af te kunnen spoelen. Als oudere zus laat ik het ronde, kleine bad vollopen met warm water en hij, als jongere en kleinere broertje, stapt erin. We wassen onze haren met shampoo, kliederen wat met het water en schuim en gaan om de beurt het warme badje in. Plotseling horen we glas vallen. ‘Wat is dat? Is mama alweer thuis van de supermarkt?’, vraagt hij. Ik heb geen idee wat er aan de hand zou kunnen zijn en stel voor dat we gaan kijken. Eigenlijk vraag ik aan hem of hij wil kijken, maar hij durft niet. Ik durf ook niet. ‘Het is niks ergs. Volgens mij heeft mama een bord laten vallen’, zeg ik dan om onszelf gerust te stellen.

“Dan was alles, wat hierna zou gebeuren ons bespaard gebleven.”

We blijven nog even luisteren, maar lijken niks meer te horen. ‘Zie je wel, er is niks aan de hand’, zeg ik dan en we gaan verder waar we gebleven waren. We gooien water naar elkaar, laten opnieuw een straal met warm water het bad inlopen en blazen het schuim van onze handen. Wanneer we voetstappen op de trap horen, nemen we aan dat het onze moeder is. Maar niets lijkt minder waar. Het zijn onze buurvrouwen die met alle haast de badkamerdeur openen. Beiden worden we afgedroogd, in een handdoek gewikkeld en opgetild. Ieder door een buurvrouw, niet wetende wat er aan de hand is.

Wanneer we beneden aankomen, zie ik dat ik ongelijk had. Continue reading “Was het maar andersom”

Advertenties